vrijdag 1 mei 2009

OP STAP: Smullen van de Voerstreek



Vlaamse Charme op een steenworp van Maastricht

door RONALD VEERMAN

‘s-GRAVENVOEREN - De kerkklokken van Maastricht kun je er bij wijze van spreken horen luiden en de Maas stroomt iets verderop statig ons land binnen. Nederland is zo dichtbij, maar toch ben je direct helemaal weg in de Belgische Voerstreek - een golvende groene enclave waar fietsers en wandelaars hun hart kunnen ophalen.
Ingeklemd tussen de onderkant van Zuid-Limburg en Wallonië treffen natuurliefhebbers en weekendbezoekers een oase van rust in het slechts vierduizend inwoners tellende heuvellandschap, waar de zes kleine kerkdorpjes ieder hun eigen aparte karakter koesteren.
Wie niet beter weet zou bijna vergeten dat de Belgen hier begin jaren tachtig nog met elkaar op de vuist gingen en een hevige taalstrijd uitvochten, nadat de streek van twaalf bij vier kilometer tot woede van de vele Franstaligen in officieel Vlaams en dus Nederlandstalig gebied was overgegaan.
Zo zijn op de kerk van Sint-Pieters-Voeren nog duidelijk de oude leuzen te lezen die ‘Fourons’ in langzaam afbrokkelende witte verf als Frans bestempelen. Een herinnering aan de ruzie die we letterlijk achter ons laten, wanneer we het beekdal van de vrolijk kabbelende Voer oversteken en langs de forellenvijver het Alserbos inklimmen.
Boven op de heuveltop kan niemand nog ontkennen dat de Voerstreek een Vlaams hoogtepunt is. Niet alleen vinden we hier de hoogste berg van Nederlandstalig België, maar het uitzicht is fantastisch. Niet voor niets draagt de streek de titel ‘het zolderkamertje van België’.
Al bramen plukkend is het genieten van het prachtige landschap, waarbij boomtoppen worden afgewisseld met de glooiende weilanden en de trotse kerktorens van de kleine gehuchtjes.
Hier langs de door eeuwenoude hagen omzoomde holle paden zijn reeën, vossen en de das in hun element. Prachtig zijn ook de tientallen wegkruisen die je al wandelend en fietsend passeert. Er staan er in de hele streek meer dan honderd.
Opvallend zijn eveneens de talloze boomgaarden, die zo bijzonder zijn vanwege hun hoogstamcultuur. De appels, peren en pruimen worden volop gebruikt om stroop, appelwijn en het lekkere en zacht smakende ‘Voerdrupke’ te maken, de lokale pruimenjenever.
Combineer dit drankje met een ‘stroopwafelparfait met onze lievevrouwebedstrogelei’ en het is overduidelijk dat we ons vlakbij Nederland toch echt midden in het Bourgondische en culinaire Vlaanderen bevinden. De Voerstreek is in alle opzichten smullen.
Ook de Nederlandse bierliefhebber komt daarbij aan zijn trekken en zal in ’s-Gravensvoeren en de andere plaatsjes zeker en vast Rick’s lekkere kersenbier proeven. Alleen in het pittoreske Teuven tappen ze het lokaal gebrouwen Patria en kun je na een korte pauze op een van de terrasjes langs fraaie vierkantshoeve’s en kasteeltjes het riviertje de Gulp volgen.
Het stroompje kabbelt vanuit de Voerstreek langzaam noordwaarts richting Gulpen en Valkenburg en passeert bijna ongemerkt de grens tussen Nederland en België. Ook op andere plekken stuit je als wandelaar soms ineens op een grenspaal en zet je even een paar passen in eigen land.
Iets dat ooit een stuk moeilijker was, zo blijkt uit het opmerkelijke gedenkteken dat we langs een van de bospaden aantreffen. Daarbij worden de slachtoffers herdacht die bijna honderd jaar geleden stierven nadat ze in aanraking kwamen met de elektrische draad. Deze spanden de Duitsers in de Eerste Wereldoorlog tussen België en het neutrale Nederland.
De stroomdraad is ondertussen een stukje Voerse geschiedenis geworden, waarover louter nog anekdotes de ronde doen. Inderdaad net als de beruchte taalstrijd, die in de bossen van de Voerstreek alleen nog tussen de kwetterende vogels wordt uitgevochten.

OP STAP: Al trappend naar Knokke



Fietsroute Belgische kust bijna klaar

door RONALD VEERMAN

DE PANNE - De Vlaamse kust was lang behoorlijk ‘stuurloos’. Maar de laatste jaren is dat snel veranderd. Niet alleen is de ongebreidelde appartementenbouw gestopt en ondergaan de meeste badplaatsen een forse opknapbeurt, bovenal is aan de Belgische Noordzee nu ook de fiets ontdekt.
Eindelijk is het mogelijk de ‘slechts’ 67 kilometer lange Vlaamse vloedlijn relaxed trappend langs te trekken. Kilometers lang pal over de boulevards fietsend is het een perfecte route om te genieten van het weliswaar drukke, maar onverwacht ook zeer diverse vermaak langs de duinen en zeedijken van onze zuiderburen.
Hoewel nog een paar laatste knelpunten moeten worden weggewerkt zijn de Vlamingen maar wat trots op hun inmiddels volledig bewegwijzerde ‘Kustfietsroute’. Via 86 kronkelende kilometers wordt zo het tegen Frankrijk gelegen De Panne met het aan Nederland grenzende Knokke verbonden.
En dat werd tijd. Want decennialang hadden wielertoeristen eigenlijk niets te zoeken aan de Vlaamse stranden. De 470 kilometer lange Noordzeefietsroute van Den Helder naar het Franse Boulogne trok noodgedwongen ver achter de Belgische kustlijn langs en wie tot voor kort toch een ommetje langs de zee wilde maken fietste zich doorgaans vast in de drukke badplaatsen.
In Nederland lijkt dat veel beter geregeld, maar met een ruim zeven keer langere kustlijn is ons land dan ook rijkelijk bedeeld ten opzichte van onze zuiderburen, die daardoor niets anders kunnen doen dan in de zomer dicht opeengepakt het zand op te zoeken.
Voor de Belgen is het rijtje van tien kustgemeenten dan ook een begrip. Bijna alle tien miljoen brengen ze jaarlijks wel een of meer dagen langs de eigen stranden door. Voor en achter de facade aan appartementen gaat dan ook meer schuil dan je op het eerste gezicht zou denken. Vooral op de fiets is dat perfect te ontdekken.
De Vlaamse kust blijkt immers afwisselender dan gedacht. Al fietsend kom je door de natuur rond De Panne, cultureel Koksijde, historisch Nieuwpoort en vervolgens strippend Middelkerke. Halverwege domineert de stadse allure van Oostende. Daarna volgt het volkse Bredene, statig De Haan, de visrestaurants van Zeebrugge, feestplek Blankenberge en last but zeker niet least het mondaine Knokke. Wie ook in de natuur wil eindigen kan zelfs nog even doorfietsen naar Het Zwin, waar reeds het Nederlandse Cadzand opduikt.
Hoewel het mogelijk is de route in beide richtingen te fietsen wordt De Panne toch min of meer als startpunt gezien. Al was het maar omdat de wind zeven van de tien dagen uit het zuidwesten waait en dit duwtje in de rug van het fietsen bijna flaneren maakt. Met de populaire Kusttram kun je eventueel weer terug.
De Belgen verwachten komende zomer veel Nederlanders aan de start. En niet alleen omdat De Panne door Plopsaland een ware pleisterplaats voor Hollandse gezinnen is geworden, maar ook de openluchtkunst van Beaufort zal tot september veel dagjesmensen trekken. Bovendien houden Nederlanders van vlakke fietstochten, wat in Belgisch Limburg inmiddels tot een boom aan Hollands fietstoerisme heeft geleid en nu dus ook aan de Vlaamse Noordzee een fietsbelletje heeft doen rinkelen.
In de badplaatsen is men dan ook druk bezig het routenetwerk verder uit te breiden. Vooral via nieuwe fietsnetwerken in het binnenland, die met handige routebordjes aan de Kustfietsroute worden gekoppeld. Zo kun je afslaan naar de fietsroutes rondom Ieper, die de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog aandoen, terwijl vanaf volgende maand ook het nabije Brugge makkelijk bereikbaar is via het nieuwe ‘Ommeland’-netwerk.
De Kustfietsroute is daarmee niet alleen een mooie verbinding tussen de kustplaatsen, maar ook een perfect startpunt om, zoals de Vlamingen het zelf zeggen, ‘verticale fietsbewegingen naar het binnenland in te zetten’.
Fietsbewegingen die overigens het best in de ochtenduren worden ondernomen. Want wie voor tienen al langs de kust wil pedaleren moet beseffen dat hij eerst nog in de ‘verticale’ schaduw van de soms zeer hoge appartementen rijdt. Met de stralen eenmaal op het kustpad is het echter zonnig trappen tot aan het laatste avondrood.

OP STAP: De ode van Ieper

Het is amper kwart voor acht maar in de knusse restaurantjes aan de Grote Markt in Ieper wordt overal haastig de rekening gevraagd. Vijf minuten later is het er uitgestorven en schieten buiten honderden mensen het donkere plein over. In colonne gaat het naar de Menenpoort, waar al tachtig jaar (!) iedere avond om klokslag acht uur de ‘Last Post’ klinkt om de slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog te herdenken.
Zeker nu 11 november de negentigste verjaardag van het eind van de ‘Grooten Oorlog’ markeert groeit de dagelijkse toeristenstroom onder de grote ronde boog, die de binnenstad van Ieper van het vroegere slagveld scheidt.
In 1928 werd begonnen met het blazen van de ‘groet aan de gevallenen’, een traditie die alleen tijdens de Tweede Wereldoorlog werd onderbroken. ,,Gemiddeld staan er iedere avond zo’n zeshonderd mensen onder de poort. En hun aantal neemt iedere maand toe”, aldus Peter Slosse van Toerisme Ieper, dat een ware invasie aan oorlogstoeristen beleeft.
Vooral Britten komen massaal naar het plaatsje, waar nu het prachtige ‘In Flanders Fields’-museum staat en tussen 1914 tot 1918 een van de meest zinloze veldslagen uit de geschiedenis plaatsvond. In de loopgraven rond de belegerde en totaal kapotgeschoten stad kwamen in vier jaar een half miljoen militairen om, een onvoorstelbaar slagveld waarbij ruim de helft van de slachtoffers uit het Britse leger kwam.
Van 54.896 soldaten uit The British Army werd het lichaam nooit teruggevonden, maar hun namen staan in de muren en gewelven van de poort gebeiteld. Wanneer ’s-avonds de laatste trompettonen van de Last Post wegsterven, kun je een speld horen vallen. Oud én jong is onder de indruk. In de menigte wordt menig traantje weggepinkt.
De meesten komen uit Engeland en Schotland, maar er zijn ook opvallend veel Canadezen en Australiërs. Ook Peter Nelson uit Manchester en zijn vrouw zijn bij de ceremonie aanwezig. ,,Ik heb hier geen familie verloren, maar vind het gewoon een prachtige plechtigheid. We zijn al meerdere keren geweest”.
Moria Hallen is met ze meegereisd en toont een piepklein medaillon. Erop staat de beeltenis van James Hawkworth, sergeant bij de 66ste divisie van de Royal Field Artillery die op 28 december 1917 bij Ieper om het leven kwam. ,,Het is de grootvader van een collega van mij, die het heeft meegegeven. We hebben vandaag zijn graf gezocht en gevonden. Een heel bijzonder moment.”
De hele Vlaamse ‘Westhoek’ is dan ook bezaaid met oorlogskerkhoven die de komende tijd zeker een half miljoen bezoekers per jaar gaan trekken. Daaronder ook al meer Nederlanders, die het bezoek aan de streek vaak combineren met een bourgondisch weekendje België.
“Maar ook in Noord Frankrijk, in Pas-de-Calais komen steeds meer Nederlandse toeristen,”, aldus Jacqueline Kamps, in de Benelux verantwoordelijk voor de promotie van het toerisme in dit gebied.De regio telt een aantal indrukwekkende gedenkplaatsen, zoals de Wellington Groeve in het stadje Arras. Twintig meter onder de straten ligt een uitgebreid onderaards netwerk van tunnels met een capaciteit van ongeveer 24.000 soldaten.
Vlakbij in het plaatsje Notre-Dame-de-Lorette liggen 20.000 individuele graven. In een herdenkingskapel staan de namen van duizenden vermisten gegrift, waaronder die François Faber, die zes jaar voor hij sneuvelde de Tour de France won. Verschillende musea in de streek geven een goed beeld van de oorlog. Pakkend zijn de beelden van vijandelijke soldaten die tijdens een Kerstbestand kerstliederen met elkaar zingen.
In Arras, maar zeker ook in Ieper beseft men dat het oorlogstoeristen alleen nog maar verder toe zal nemen. ,,Vooral natuurlijk richting 2014, honderd jaar na de start. Nu al merk je dat dit voor een gigantische toeloop gaat zorgen. De Eerste Wereldoorlog leeft echt als nooit tevoren”, aldus Slosse.

OP STAP: Hollands spoor in Antwerpen

Een rood-wit-blauwe stadswandeling

door RONALD VEERMAN

ANTWERPEN, zaterdag
De steentjes van de Amsterdamse Dam of een glas in loodraam van koningin Juliana. Je vindt het allemaal in…Antwerpen. Jaarlijks genieten ruim een miljoen landgenoten van een weekeindje in de Scheldestad, al beseffen weinigen dat het stadscentrum niet alleen bol staat van de Vlaamse gezelligheid maar ook talloze Nederlandse schatten en verwijzingen bevat.
,,Ook in Antwerpen zelf kwam we er onlangs achter dat de herinneringen aan Nederland nogal onderbelicht bleven. Nogal vreemd natuurlijk wanneer je bedenkt dat veruit de meeste toeristen uit het noorden komen”, aldus cultuurwethouder Philip Heylen, die de nieuwe rood-wit-blauwe rondtocht samen met de Nederlandse ambassade heeft uitgezet.
Wie de wandeling ‘Hollandse sporen in Antwerpen’ op de Grote Markt start wordt meteen op de vele decoraties van het stadhuis gewezen, die allemaal door landgenoten van boven de rivieren werden vervaardigd. Zelfs nadat de Belgen zich in 1830 van Nederland losmaakten bleef de band bestaan. Zo is koningin Beatrix net als haar voorgangers nog altijd burggraaf van de stad, mede waardoor we rechts in een glas in loodraam haar moeder Juliana herkennen.
Wanneer we richting de Hoogstraat wandelen zien we links en rechts koek- en chocoladewinkeltjes, waar typische Antwerpse ‘handjes’ ons toewuiven. Hoewel een goed bewaard geheim, wordt in de wandelgids schoorvoetend erkend dat het de Amsterdamse banketbakker Jos Hakker was die de culinaire vondst in 1934 bedacht.
Plots staat we ook op een stukje Amsterdamse Dam van een vierkante meter groot, dat als onderdeel van een ludieke actie naar Antwerpen werd ‘verplaatst’. Vlakbij de plek overigens waar Pieter Pot uit Dordrecht in de vijftiende eeuw een abdij stichtte en dagelijks zelfgebakken brood uitdeelde aan de arme Antwerpenaren. Het Hollandse rozijnenbrood staat in de stad nog altijd bekend als het ‘roggeverdommeke’, al doet de royale geste je vooral afvragen hoe de Nederlanders in België toch aan hun ‘krenterige’ imago zijn gekomen.
Lopend richting het hippe ‘Zuid’ stuiten we op steeds meer Hollandse straatbordjes, die verwijzen naar het verblijf van Willem van Oranje en het verzet tegen de Scheldeblokkade die Nederland in de 19e eeuw na de Belgische afscheiding opwierp.
De Hollandse wandeling biedt overigens niet alleen historie maar brengt de bezoeker ook langs veel recente en eigentijdse verwijzingen, zoals de modezaken van Clara Froger en Ines Raspoort. Ook de winkels van de Nederlandse couturiers Marlies Dekkers en Staphan Badal worden aangedaan. De sporentocht biedt daardoor een afwisselend alternatief voor een bezoek aan de Vogeltjesmarkt of een van vele terrassen en musea in de binnenstad.

Nieuw station
De term ‘Hollands spoor’ voor Antwerpen sinds kort ook een andere associatie, nu de stad een veel betere verbinding met het noorden heeft. Treinreizigers hoeven niet meer via een omweg het tot voor kort doodlopende station binnen te rijden, maar zoeven via een splinternieuwe vier kilometer lange tunnel nu zo het historische gebouw binnen.
Niet alleen duurt de reis tien minuten korter en ben je straks met de HSL in een half uur in Rotterdam, vooral de entree in het totaal verbouwde 18e eeuwse station is indrukwekkend. De perrons liggen twintig meter lager in de opengemaakte hal, die bovendien een nieuw winkelcentrum bevat.
Ook buiten is het Astridplein, dat jarenlang totaal opgebroken was, nu opgeknapt waardoor Antwerpen eindelijk ook een nette en volwaardige entree heeft. Vanuit het station loop je zo over de Meir naar het stadscentrum en het begin van de Nederlandse wandeling. Langs de Hema, Kruidvat en de Blokker, dat wel. Nog een ‘Hollands spoor’ dus.

OP STAP: Zwijgen in Brugge




De stille kracht van het ‘andere’ Brugge

door Ronald Veerman

BRUGGE, zaterdag
Het is lente in Brugge, al betekent dit ook dat hordes toeristen zich weer opmaken om het Vlaamse stadje een half jaar in bezit te nemen. Maar liefst 2,5 miljoen bezoeken jaarlijks het fraaie centrum, dat daardoor al meer rustzoekers afschrikt. Speciaal voor hen - maar bewust geruisloos - wordt nu het ‘stille’ Brugge uitgerold. Een heerlijke dagwandeling langs unieke en rustgevende plekjes, opvallend verstopt maar soms ook letterlijk op een steenworp van de bomvolle terrassen.
Het prachtig gerestaureerde Sint-Jans Hospitaal aan de Mariastraat vormt de uitvalsbasis voor de ‘stille tocht’ door de monumentale stad. Hoewel midden in de toeristische ‘gouden driehoek’ ademt het pand een opvallende rust uit, vooral ook op de verlaten binnenplaats waar slechts af en toe een lokale fietser passeert.
Binnen staat de stilte centraal in de grote zalen en zolders waar pelgrims, armen en hulpbehoevenden eeuwen geleden voor rust en verzorging kwamen. Met om te bezinnen een stille bibliotheek.
,,Steeds meer toeristen ontpoppen zich tot nieuwe ‘pelgrims’. Ze willen niet opgaan in de drukte en het lawaai van het massatoerisme, maar zelf op ontdekkingstocht en zo meerwaarde aan hun bezoek beleven. Brugge wil daar met een stilteparcours op inspelen”, aldus conservator en initiatiefnemer Joris Capenbergs.
,,We hebben bewust geen route uitgestippeld, maar een twintigtal rustige plekken in de ‘Stil als wit’-brochure aangeduid. De geïnteresseerde en rustzoekende wandelaar kan deze zonder problemen en al zwervend door het stille Brugge zelf aaneenrijgen”.
Al pratend bukt hij bij een piepklein poortje, waarna we via twee dikke deuren plots op het prachtige binnenplaatsje van het Rooms Convent staan. We horen alleen nog vogels fluiten. ,,De poort is gewoon open, maar hier komt bijna nooit iemand”, lacht Capenbergs.
Met af en toe toch een doorkijkje naar het statige Belfort doorkruizen we de steeds rustiger straatjes. De hofjes worden afgewisseld met prachtig ingerichte boekhandeltjes en kleine musea zoals het met een prachtige tuin pronkende Guido Gezellemuseum, gevestigd in het geboortehuis van de gelijknamige Vlaamse dichter.
Eindpunt, alhoewel dus niet officieel, is het Potterie-museum aan de noordzijde van de binnenstad. Hier komt bijna geen toerist en de protserige chocoladewinkels en duurgeprijsde cafés zijn ver weg.
Al komt de inwendige mens ook in dit deel van Brugge niets te kort, nadat we in een afgelegen zijstraatje bij het knusse bruine café Vlissinghe stranden. Bij de detectivekenners vooral bekend als het Brugse stamcafé van thrillerauteur Pieter Aspe en diens hoofdpersonage inspecteur Van In.
In de fraaie binnentuin nippen we zwijgend van een Brugse tripel. Het stille Brugge is een verademing. Niet verder vertellen hoor !

OP STAP: De Luxemburgse Alpen


Klein Zwitserland in de Benelux


door Ronald Veerman


“Bom dia !”, zo klinkt het in vloeiend Portugees, “Welkom in Klein-Zwitserland”. We kijken verward op, maar nadat de lokale krant met de vreemde mix van Franse, Duitse en zelfs Nederlandse woorden nog eens goed is bekeken weten we het toch zeker: Dit is wel degelijk Lëtzebuerg, uiteraard beter bekend als Luxemburg.
Wandelend door de smalle straatjes van Larochette (letterlijk: klein rotsje) wordt het mysterie opgelost. De verwijzing naar het Zwitserse berglandschap is niet gelogen. Hoewel sneeuw op de bergtoppen ontbreekt wordt de streek alom als een klein alpengebied geprezen. Snel stromende riviertjes, watervallen, steile rotswanden en daarbovenop een stoer kasteel doen eigenlijk alleen de Matterhorn nog ontbreken.
De opvallende Portugese vlaggen en winkeltjes zorgen daarentegen voor een vreemd contrast en een bijna Zuid-Europese charme, die in dit stadje zelfs voor Luxemburgse begrippen uniek is.
Het bijna tweeduizend zielen tellende Larochette huisvest dan ook meer dan twintig nationaliteiten waarvan maar liefst de helft Portugese wortels heeft. Vooral in de smalle straatjes, waar uitgebreid de geuren van de Mediterrane keuken rondzweven, is dat goed te merken.
Het is een uitvloeisel van het beleid waarbij in de jaren vijftig en zestig alleen katholieke gastarbeiders welkom waren en vooral Portugezen hun weg naar het kleine land vonden. Op nog geen half miljoen inwoners telt Luxemburg nu ruim zestigduizend Portugezen, ofwel een op zes.
Niet alleen de immigranten voelen zich inmiddels thuis in de rustieke streek rond Larochette, dat met enige trots Klein-Zwitserland wordt genoemd maar ook wel bekend staat als het Müllerthal. Ook veel Nederlanders genieten jaarlijks met volle teugen van het fraaie en veelal op nog geen drie uur rijden gelegen heuvellandschap.
Reeds vanaf de drempel van het hotel of de caravan ligt de prachtige natuur hier letterlijk aan je voeten en kunnen prachtige wandelingen worden gemaakt langs mooie riviertjes als de Ernz Noire, door donkere naaldbossen of een klim naar het fraai gerestaureerde Burgkasteel.
Of het nu een kort stukje stappen is of een van de tientallen gemarkeerde lange tochten, bijna altijd zorgt het Luxemburgse landschap voor mooie plaatjes. Je onderweg vol etend met de alom aanwezige kersen, bramen en frambozen is het daarna heerlijk toeven op een van de terrasjes van mooigelegen toeristendorpjes als Berdorf en Beaufort. Of uiteraard op de ‘Bleech’, het kleine maar gezellige dorpspleintje van Larochette.
Met tal van overnachtingsmogelijkheden en de restaurantjes en cafeetjes vormt het een prachtige uitvalsbasis om het kleine Luxemburg te verkennen. Met een land zo groot als de provincie Limburg ligt immers alles binnen handbereik. Een interessante stedentrip naar hoofdstad Luxemburg of het Duitse Trier vergt slechts een half uurtje rijden en ook de glooiende wijngaarden en wijnkelders langs de Moezel zijn dichtbij.
Maar naast het verkennen van de lokale natuur zijn ook de dorpjes, kastelen en stadjes in de directe omgeving zeker een bezoek waard. Luxemburgse pareltjes als Vianden en Clervaux liggen wat verderop, maar binnen een kwartiertje zit je in Ettelbrück en het vanwege het biermerk landelijk bekende Diekirch, dat enkele leuke pleintjes heeft.
Grote trekker is en blijft echter het tegen de Duitse grens gelegen Echternach, dat op een steenworp afstand ligt en vanuit de dorpjes in het Müllerthal een prachtige (wandel)bestemming vormt. Voor een stadje van slechts vijfduizend inwoners heeft het vanwege de jaarlijkse springprocessie wereldberoemde plaatsje dan ook opvallend veel te bieden.
Vooral de enorme en reeds vanaf ver zichtbare Sint-Willibrord-abdij, het grootste bouwwerk van Luxemburg, maakt al snel duidelijk dat Echternach al meer dan duizend jaar een begrip in christelijk Noordwest-Europa is. Reeds in 698 gesticht door de gelijknamige heilige trekt de stad jaarlijks honderdduizenden bezoekers en pelgrims die niet alleen de gezellige winkelstraatjes maar vooral ook de fraaie kerken, tuinen en parken afstruinen.
Lopend langs de Orangerie en via Romeinse paviljoenen en oude patriciërshuizen trekt de historie van het groothertogdom dat tot 1890 aan ons land en het huis van Oranje verbonden was letterlijk aan je voorbij. Nadeel – of voor anderen wellicht een voordeel – is dat het Nederlands ruim honderd jaar later weer letterlijk de boventoon voert op de gezellige donderdagmarkt, wanneer vooral de bonte bloemenzee het hoofdpleintje opfleurt.
Je kunt het vooral ook zien aan de euromuntjes, die velen op de terrasjes direct driftig omdraaien in de hoop er Luxemburger Henri op te vinden en een muntensparend neefje blij te maken. Maar al te vaak zien we echter onze eigen Beatrix, een Duitse adelaar of een Franse Marianne. Zelfs het Portugese wapen duikt om verklaarbare redenen zo nu en dan op de euro’s op, waardoor we ook direct weer beseffen wat Luxemburg zo Europees, maar tegelijk ook zo uniek maakt.

OP STAP: De Belgische Provence



De gastvrije warmte van de Gaume-streek

door RONALD VEERMAN

TORGNY - Nauwe straatjes, stenen huisjes met oude ronde dakpannen en overal kleurrijke bakken met bloemen en planten. Wie een middagje door het pittoreske en prachtig gerestaureerde Torgny wandelt en over de golvende velden tuurt, waant zich soms even in de Provence.
Hoewel Frankrijk in de verte gloort bevinden we ons echter ‘gewoon’ in België. Niet in Vlaanderen of de Ardennen maar in de kleine en helemaal onder in het land weggestopte Gaume, waar een aangenaam microklimaat letterlijk voor een warme ontvangst zorgt.
Wie de wildstromende riviertjes en rotspartijen van de Ardennen kent, moet wellicht even wennen bij het zien van de glooiende heuvels in het zuidelijkste puntje van België. Het zijn echter juist deze ‘cuesta’s’ die de streek haar bijzondere karakter geven en de temperatuur in de zomer – het is echt waar - heerlijk enkele graadjes extra doet oplopen.
Lager gelegen dan de rest van Franstalig België en daardoor tegelijk beschermd tegen de regenbuien en frisse noordenwinden is het heerlijk toeven in stadjes als Virton, Montquintin en vooral het rustgevende Torgny, vlakbij het drielandenpunt met Frankrijk en Luxemburg.
Een wandeling door het dorpje met zijn kalkstenen huizen en rode daken geeft een bijna middeleeuws gevoel. Niet voor niets draagt dit pareltje van de Gaumestreek de titel ‘mooiste dorpje van Wallonië’. Bijna elke blik in de hobbelige straatjes is goed voor een ansichtkaart.
Vooral de stilte die in het dorpje heerst, geeft een heerlijke rust. Al zorgen enkele winkeltjes en kleine cafeetjes voor een beetje afwisseling. Met La Grappe d’Or herbergt het piepkleine plaatsje bovendien zelfs een sterrestaurant.
Want culinair genieten kan natuurlijk ook in de ‘Belgische Provence’, dat voor de meeste Nederlanders slechts drie uurtjes rijden is. Tot de streekgerechten behoren onder meer ‘Le Paté Gaumais’ - een malse vleestaart – en ‘La Touffaye’, een voedzame maar ook zalige schotel van aardappelen, uien, spek en varkensreuzel.
Bierliefhebbers mogen uiteraard een bezoek aan de beroemde brouwerij van Orval, een van de zes officiële Belgische trappistenbieren, niet overslaan. In taverne L’ange Gardien, pal naast de brouwerij, kun je volop proeven van de in de abdij gemaakte kaas en het - in wellicht in het mooiste Belgische bierglas geschonken - Orval-bier.
Ook iets verder naar het noorden zijn het nog steeds de als een rollercoaster voortrollende heuvels die het beeld bepalen en vanuit plaatsjes als Florenville en Chassepierre prachtige vergezichten geven langs de vallei van de Semois, die prachtig door het landschap meandert. Op de soepel stromende rivier is het in het voorjaar en de zomermaanden dan ook heerlijk kanoën langs de dorpjes en campings van de Gaume, die langzaam ook door steeds meer Nederlanders ontdekt worden.